Promoting adventurous music and things

HEAD to HEAD

Raf Vertessen

‘Head to Head’ is een gloednieuwe reeks van interviews die Joachim Ceulemans afneemt van artiesten actief in de Oorstof concertreeks, de Visitations Residenties, het Summer Bummer Festival of met artiesten die een release hebben op het Dropa Disc label. Deze diepte-interviews worden gebruikt om de komende events en releases te promoten en wie weet vinden ze ooit hun weg naar een publicatie.

Voor het eerste interview in de reeks spreekt Ceulemans met Raf Vertessen, een van de centrale gasten van het tweede Visitations event van 2022 dat op 20, 21 en 22 oktober doorgaat in De Studio. Vertessen krijgt het gezelschap van Joe Morris, Will Greene, Anke Verslype, Elisabeth Klinck en Andreas Bral en op 20 oktober voegen de speciale gasten Tomeka Reid, Rachel Bernsen en Ayako Kato zich voor 1 dag bij het gezelschap. Meer info en tickets vindt u hier! 

De in New York wonende drummer Raf Vertessen is momenteel een van de meest opzienbarende muzikanten uit België. Hij verbaasde tijdens het Summer Bummer Festival in 2021 als interimdrummer samen met Terrie Ex, Hanne De Backer en Signe Emmeluth en sloot in de Oorstofreeks naadloos aan bij een gloednieuw trio met De Backer en Raphael Malfliet in De Singer.

Toch was hij enkele jaren geleden nog een nobele onbekende in deze contreien. Vertessen is dan ook al lange tijd weg uit ons land. Na zijn humaniora ruilde hij als ambitieuze 18-jarige het landelijke Tessenderlo voor muziekstudies in Amsterdam en enkele jaren later trok hij verder naar New York. Daar woont hij ondertussen zes jaar en speelde hij een opmerkelijk cv bij elkaar. Zo heeft hij een eigen New Yorks kwartet dat veel lof oogst en waarvan een tweede album in de nabije toekomst zal verschijnen. Daarnaast werkt hij nauw samen met de buitengewone gitarist en bassist Joe Morris, waarmee hij samen met saxofonist Will Greene een trio vormt dat hij tijdens Visitations voor het eerst in Europa zal voorstellen.

Naar aanleiding van die Visitationsresidentie in De Studio – die doorgaat op do 20, vr 21 en za 22 oktober met naast Vertessen, Morris en Greene ook nog Elisabeth Klinck, Andreas Bral, Anke Verslype, Tomeke Reid, Rachel Bernsen en Ayako Kato als gasten – sprak Joachim Ceulemans met Vertessen:

“Active in the avant-garde and improvised music scene” staat te lezen op je website. Ik zie daar geen enkele verwijzing naar jazz. Is dat bewust?

Ik wil daarmee vooral duidelijk maken dat mijn invloeden niet alleen van jazz komen maar eigenlijk vooral van moderne klassieke muziek. Tot mijn achttiende heb ik ook klarinet gespeeld, net als mijn vader, die actief was in het Philharmonisch Orkest van Vlaanderen en de opera van Antwerpen en Gent. Ik speel trouwens ook klarinet op het laatste album van mijn vriendin Charlotte Jacobs.

Daarnaast heb ik er ook moeite mee om mezelf een freejazzmuzikant te noemen. Ik ben natuurlijk erg door freejazz beïnvloed maar ik heb die beweging en die strijd die ermee gepaard ging niet zelf ervaren, dus ik wil me dat alles nu ook niet toe-eigenen. Hier in de Verenigde Staten merk ik trouwens dat men daar toch anders mee omgaat dan in Europa, veel bewuster. En jazz, tja, ik associeer dat label toch vooral nog met iemand die echt jazz speelt, standards bijvoorbeeld. Daar voel ik zelf weinig voor.

Maar je hebt wel een jazzopleiding genoten?

Ja, in Amsterdam. Al was ik toen ook al wel op zoek naar meer geïmproviseerde muziek, maar dat kwam daar niet echt aan bod. Over Ornette Coleman, Albert Ayler en Cecil Taylor werd er gewoon niet gesproken.

Waarom koos je Amsterdam?

Moeilijk te zeggen. Misschien heeft mijn vader me wel impliciet aangespoord om wat internationaler te denken. Ik had alleszins wel al vroeg een droom om naar New York te trekken. Maar ik ben afkomstig van een gehucht bij Tessenderlo, in het midden van de bossen, en had op mijn 18de nog nooit in een stad gewoond. Daarom heb ik op die leeftijd eerst voor Amsterdam gekozen. Dat vonden mijn ouders ook veiliger dan meteen naar New York te trekken.

Het is niet dat je hier je gading niet vond? Je wilde gewoon meteen een grote uitdaging?

Ja, ik denk het wel. Maar ik had weliswaar geen specifieke voorkeur voor Amsterdam. Ik kende ICP Orchestra, Misha Mengelberg, Han Bennink en dergelijke wel, maar het gevoel dat ik bij hun muziek had, was toen nog niet hetzelfde als het gevoel dat ik had bij pakweg Cecil Taylor. Eigenlijk wilde ik gewoon weg uit België.

En ondertussen woon je al zes jaar in New York. Wat drijft zo veel muzikanten naar daar?

Ik heb hier eerst een jaar gestudeerd aan The New School. Dat is zo een beetje de weg die veel Belgische muzikanten hier afleggen, dankzij de Belgian American Educational Foundation. Aan die school heb ik trouwens trompettist Adam O’farrill en bassist Nick Dunston leren kennen, die nu deel uitmaken van mijn kwartet.

Het grootste verschil met andere steden, zonder te willen veralgemenen, is dat iedereen hier bijzonder ondernemend is en constant wil spelen. Er is een enorme drive aanwezig binnen de gemeenschap van muzikanten. Een voorbeeld: Ingrid Laubrock is een van de muzikanten waar ik al lang naar opkijk. Toen ik hier enkele concerten van haar meepikte en haar leerde kennen, was ik amper twee weken later al met haar aan het spelen. Voor mij voelde het als een enorme stap omhoog, terwijl dat in New York vrij normaal is. Die energie voel ik na zes jaar in New York nog steeds. Ik wil hier zijn en wil hier muziek maken.

Naast klarinet speel je natuurlijk voornamelijk drums. Wanneer ben je daar mee begonnen?

Rond mijn achtste begon ik met klassieke percussie. Misschien had ik ondertussen wel de vaste paukenist van de Vlaamse opera kunnen zijn, want als tiener liet mijn vader me af en toe wel eens invallen. Ik ben al heel mijn leven een grote liefhebber van klassieke muziek dus het was heel leuk voor mij om bijvoorbeeld slagcimbalen te spelen tijdens een opera van Puccini. Een leuke ervaring waar ik veel geleerd heb op die leeftijd, maar het was niet mijn roeping.

Als je zo’n fan bent van klassieke muziek en in grote orkesten hebt gespeeld, droom je dan zelf soms van het schrijven voor een groter ensemble of een orkest?

Ik heb daarover nagedacht, maar ik heb rond die periode ook de muziek van Joe Maneri ontdekt, die vooral eind jaren tachtig en begin jaren negentig actief was. Hij speelde met een waanzinnige en totaal ondergewaardeerde drummer, Randy Peterson. Randy is de voorbije jaren een enorm goede vriend geworden. Het is niet zozeer een mentorfiguur maar we zoeken elkaar vaak op, praten veel en drummen ook regelmatig samen. Ik merkte dat ik met vragen in mijn hoofd zit die hem ook al veertig jaar bezighouden. Dat gaat over dingen als het gebruik van ritme en puls in improvisatie, hoe ver je kan gaan met het herhalen van beats, wat ken je doen om iemand de puls te laten voelen, wil je dat ook wel echt, etc…

Maar om even op je vraag terug te komen, sindsdien denk ik toch eerder aan een vorm van kamermuziek. De ‘Five Pieces For Orchestra’ Opus 10 van Anton Webern is iets waar ik vaak aan denk in dat verband. Muziek voor een soort compact symfonisch orkest, maar in mijn geval dan in kwartetvorm. Het kwartet van Joe Maneri doet iets gelijkaardigs, het lijkt wel vrij geïmproviseerde Webern. Ongelofelijk straf hoe ze dat doen. Daar ben ik enorm door geïnspireerd geraakt. Daar wil ik graag iets mee doen in de nabije toekomst.

Met je kwartet uit New York heb je een tijdje geleden een eerste plaat uitgebracht. Daarin hoor ik toch heel wat linken met jazz, maar dan met een hedendaagse New Yorkse invloed.

Voor het kwartet zijn we ondertussen al geëvolueerd naar een andere aanpak. In maart hebben we een nieuwe plaat opgenomen en die weerspiegelt al beter wat ik interessant vind qua ritmiek, harmonie, melodie, compositie etc. Ik ben nog steeds trots op die eerste plaat maar de aanpak die ik daar hanteerde is stilaan aan het wegebben. De nieuwe plaat is gemixt maar ik weet nog niet wanneer ik ze zal uitbrengen.


Daarnaast heb je ook een trio met Joe Morris en Will Greene, dat je tijdens Visitations voor het eerst in Europa zal presenteren. Deze groep lijkt me dan weer heel open te improviseren, klopt?

Zeker. De inspiratie komt daar vooral vanuit de AACM, de Chicago scene uit de jaren ’60 met onder meer Anthony Braxton, Roscoe Mitchell en Henry Threadgill.

Hoe ben je bij Joe Morris terechtgekomen? Toch wel een uniek figuur binnen de improvisatiewereld.

Een van de voordelen van de New School is dat je zelf mag kiezen bij wie je gaat studeren. Ik wilde graag bij Joe Morris studeren. Hij heeft zijn eigen manier van musiceren en improviseren, is een enorm motiverend iemand en hij heeft me al met veel muzikanten in contact gebracht. Hij voedt de community op die manier.

Hij heeft zijn eigen label (Riti) en studio thuis. Hij neemt thuis voortdurend op en brengt veel van die dingen ook uit. Hij had het idee om samen met Will Greene opnames te maken en sindsdien zijn we een vast trio.

Morris speelt in jullie trio uitsluitend contrabas? Of ook gitaar?

Tot nu toe eigenlijk alleen contrabas. Maar voor de residentie in Antwerpen is dat nog niet zo heel duidelijk. Hij is de periode daarvoor namelijk reeds op tournee met Tomeka Reid en daarvoor heeft hij ook zijn gitaar mee. Ik ga er van uit dat hij zijn gitaar dan ook tijdens Visitations zal gebruiken, al dan niet tijdens ons triomoment.

Hebben jullie voor de rest al een idee hoe jullie de residentie zullen aanpakken? 

Niet specifiek. We hebben sowieso een moment waarop we ons trio voorstellen en dan is er ook een dag met Tomeka Reid en de danseressen Rachel Bernsen and Ayako Kato. Elisabeth Klinck en Anke Verslype heb ik nog niet ontmoet, dus dat wordt wel spannend. Andreas Bral ken ik al wel van het project met hem en Hanne De Backer ‘As We Walk’. Binnenkort gaan we daarmee een cd opnemen en volgend jaar volgt er een grote tournee.


Je zit nu ook op residentie in Zwitserland, in de bergen in Poschiavo. Wat is voor jou de meerwaarde van residenties?

We zitten hier nu met vier. Saxofonist David Leon heeft mij en de bassisten Henry Fraser en Florian Herog hiervoor uitgenodigd. We spelen hier elke dag samen maar we werken vooral ook aan onze eigen dingen. Het is ook fijn om een keertje uit die wervelstorm van New York te zijn, waar het ook ‘s nachts niet stopt. New York is een dure stad, waardoor je als muzikant ook heel wat sidegigs moet zien te spelen om rond te komen. Veel tijd heb je er dus niet om je te concentreren op je eigen ding. Hier heb ik nu tijd voor mij eigen muziek en ik kan boeken lezen die ik al lang wilde lezen. Het is ook inspirerend om in een andere omgeving te zijn. Hier zitten we momenteel rond een houtkachel met zicht op de bergen, heel idyllisch.

Het uitzicht tijdens de residentie in Antwerpen zal misschien iets minder idyllisch zijn… maar we doen ons best. Iets anders nu. Ik zag je al enkele keren aan het werk en dan droeg je vaak een t-shirt van een metalband, vaak dan nog vanuit de extreme genres zoals death metal en grindcore. Muziek waar veel techniek bij komt kijken en die ver verwijderd lijkt van die vrije muziek waar je mee geassocieerd wordt.

Ik ben een techniekfreak moet ik toegeven, althans wat studie betreft. Ik gebruik die elementen wel in mijn improvisaties, maar dan altijd heel kort. Ik zie mezelf niet echt in een metalband spelen.

Tijdens de coronaperiode zat ik bijna een jaar vast in België en woonde ik terug bij mijn ouders. Ik was ondertussen de drukte van New York gewend dus in de bossen van Tessenderlo werd ik na een tijdje gek. Ik ben die periode doorgekomen door double kick te studeren, misschien wel elke dag tien uren. Er zijn weinig drummers die met twee basdrumpedalen spelen. Je hebt Will Guthrie, Weasel Walter, Kenny Grohowski af en toe, maar al bij al wordt dat amper gedaan. Ik wil het zelf meer en meer gaan integreren in mijn muziek, maar dat is een proces van jaren waarschijnlijk. Ik wil de taal die ik met mijn handen machtig ben ook met mijn voeten kunnen brengen. Ik heb dingen in mijn hoofd die ik nog nooit iemand heb horen doen. Er is één drummer die ik op dat vlak wel bewonder, die zowel met zijn linker- als zijn rechtervoet prachtige dingen doet en dat is Charles Downs, ook bekend als Rashid Bakr.

Wat zijn je plannen voor de komende tijd?

Voor de residentie ga ik op tournee met mijn vriendin en haar avant-pop project onder haar eigen naam ‘Charlotte Jacobs’. Zeker de moeite om eens uit te checken.

Raf Vertessen geïnterviewd voor ‘Head to Head’ door Joachim Ceulemans – Engelse vertaling door Guy Peters
© Sound in Motion vzw 

Vlaanderen Stad Antwerpen DEStudio Het Bos TRIX AB Salon Les Ateliers Claus Rataplan Tryp Windham Antwerp

Click for discount hotel rates

Vooruit Kraak De Singer WPML